Waarom IT-projecten bij de overheid blijven falen


Een reactie op het VRT-artikel over Persona, i-Police en de structurele blindheid van het systeem https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2026/01/26/it-project-overheid-onderwijs-demir-slecht-bestuur-normale-neven/

Naar aanleiding van het recente artikel van VRT over het stopzetten van het IT-project Persona binnen het Vlaams onderwijs, rijst opnieuw een vraag die al jaren boven de markt hangt:
waarom slagen overheids-IT-projecten er zo vaak niet in om hun beloftes waar te maken?

Volgens het artikel trok Zuhal Demir de stekker uit een platform waarvoor al 16 miljoen euro werd uitgegeven, terwijl slechts 8 à 10 procent effectief gerealiseerd was. Een externe audit wees op gebrekkig projectmanagement en onvoldoende sturing. Het project werd stopgezet. Niet veel eerder overkwam hetzelfde het federale politieproject i-Police, dat na jaren ontwikkeling en tientallen miljoenen euro’s geen tastbare resultaten opleverde.


 

Op het eerste gezicht lijkt dit opnieuw een klassiek verhaal van falende IT, te ambitieuze plannen en slecht bestuur. Maar wie dieper kijkt, ziet geen incidenten, maar een structureel patroon.


Het probleem is zelden technologie — maar bijna altijd het systeem errond

Wat in het publieke debat vaak ontbreekt, is de erkenning dat deze mislukkingen niet primair technisch zijn. De software zelf is zelden het echte probleem. De kern zit elders:

  • in hoe projecten worden aanbesteed,

  • hoe leveranciers geselecteerd worden,

  • hoe beslissingen genomen (of net niet genomen) worden,

  • en hoe innovatie structureel wordt ontmoedigd.

Digitalisering wordt bij de overheid nog te vaak behandeld als een klassiek bouwproject: vooraf alles vastleggen, één grote oplevering voorzien, en hopen dat de realiteit zich daarnaar schikt. In een wereld waar technologie, wetgeving en gebruikersverwachtingen continu veranderen, is dat model fundamenteel achterhaald.


Formele correctheid boven inhoudelijke kwaliteit

Wie ooit heeft deelgenomen aan overheidsaanbestedingen, herkent het probleem meteen. Kandidaten kunnen worden uitgesloten op basis van:

  • een ontbrekende handtekening,

  • een kleine vormfout,

  • of een administratief detail dat geen enkele relatie heeft met de inhoudelijke kwaliteit van de oplossing.

Tegelijk weegt aantoonbare praktijkervaring — het bouwen, uitrollen en onderhouden van systemen die daadwerkelijk door honderdduizenden of miljoenen mensen worden gebruikt — vaak minder zwaar dan het correct invullen van het juiste formulier of financieel omzet. 

Dat leidt tot een pervers effect:
het systeem selecteert niet noodzakelijk de beste uitvoerder, maar de meest procedureel conforme.


De illusie van concurrentie

Formeel zijn aanbestedingen open en competitief. In de praktijk ontstaat echter vaak de indruk dat:

  • de winnaar vooraf bekend is,

  • het lastenboek geschreven is rond één bestaand model,

  • en nieuwe of alternatieve benaderingen structureel worden uitgesloten.

Dat geldt bijzonder sterk in domeinen zoals marketing, communicatie en digitale productie.


Marketingmodellen die in de markt niet meer bestaan

In meerdere aanbestedingen wordt nog steeds uitgegaan van een werkwijze waarbij:

  • grote teams dagelijks handmatig banners, visuals en varianten produceren,

  • grafische output centraal staat,

  • en menselijke arbeid de kern vormt van het proces.

In de private sector is dit model grotendeels verdwenen.

Vandaag worden zulke processen:

  • verregaand geautomatiseerd,

  • gestuurd door templates, data en parameters,

  • opgezet als systemen, niet als manueel werk.

Wat vroeger een team van 20 tot 30 mensen vergde, kan vandaag worden gebouwd door één technisch onderlegde specialist in enkele maanden — waarna het systeem jarenlang autonoom draait, met minder fouten en lagere kosten.

Toch blijven overheden tientallen miljoenen euro’s per jaar uitgeven aan dit soort manuele structuren, simpelweg omdat ze passen binnen bestaande contracten en procedures.

Het gevolg: publieke middelen worden ingezet om inefficiëntie in stand te houden.


Kunstmatige drempels die innovatie uitsluiten

Daarbovenop komen selectiecriteria zoals:

  • minimale omzetvereisten van 2 miljoen euro of meer,

  • eisen rond teamgrootte,

  • en referenties die enkel grote, klassieke spelers kunnen voorleggen.

In theorie bedoeld om stabiliteit te garanderen, zorgen deze criteria er in de praktijk voor dat:

  • kleinere, gespecialiseerde teams met hoge technische maturiteit worden uitgesloten,

  • innovatieve oplossingen geen kans krijgen,

  • en dezelfde spelers telkens opnieuw aan zet blijven.

Zo ontstaat een gesloten ecosysteem dat zichzelf reproduceert.


De vergeten factor: technologiekeuze en architectuur

Een tweede grote blinde vlek in het debat — nauwelijks aangehaald in het VRT-artikel — is de keuze van technologieën.

Overheden blijven opvallend vaak vasthouden aan:

  • gesloten software-ecosystemen,

  • proprietary frameworks,

  • en technologieën die sterk leunen op vendor-lock-in.

Met name oplossingen uit het klassieke enterprise-landschap, vaak gelinkt aan grote leveranciers zoals Microsoft, worden als “veilig” of “betrouwbaar” beschouwd — zelfs wanneer ze architecturaal slecht aansluiten bij moderne, schaalbare systemen.  Opvallend is dat vrijwel geen enkele unicorn van de afgelopen tien jaar zijn schaal en succes heeft opgebouwd op een traditionele Microsoft-georiënteerde technologie­architectuur. 


Hoe grote systemen vandaag écht gebouwd worden

De realiteit is nochtans duidelijk:
vrijwel alle grote, succesvolle digitale platformen — beheerd door multinationals en gebruikt door miljoenen mensen — steunen vandaag op:

  • open-source frameworks en libraries,

  • modulaire architecturen,

  • transparante codebases,

  • en ecosystemen met brede community-ondersteuning.

Niet uit ideologische overtuiging, maar omdat het:

  • innovatie versnelt,

  • onderhoud vereenvoudigt,

  • rekrutering vergemakkelijkt,

  • en afhankelijkheid van één leverancier vermijdt.

Wanneer technologiekeuzes worden gemaakt zonder diepgaand inzicht in deze realiteit, ontstaat technische schuld nog vóór het project goed en wel gestart is.


Beslissingen zonder verantwoordelijkheid voor de gevolgen

Het fundamentele probleem is dat technologiekeuzes vaak worden gemaakt door:

  • comités,

  • administratieve structuren,

  • of beleidsniveaus,

die niet verantwoordelijk zijn voor het langdurig onderhoud, de schaalbaarheid of het falen van het systeem.

Architectuur, langetermijnkosten en flexibiliteit worden ondergeschikt aan compliance, vertrouwdheid en procedurele zekerheid.

Dat verklaart waarom zoveel projecten vastlopen, ongeacht audits, crisismanagers of bijkomende budgetten.


Het systeem selecteert het verleden

De herhaalde mislukkingen van overheids-IT-projecten zijn geen toeval. Ze zijn het voorspelbare resultaat van een systeem dat:

  • innovatie wantrouwt,

  • automatisering als risico ziet,

  • procedure boven resultaat plaatst,

  • en technologie benadert als een aankoop, niet als een kerncompetentie.

Zolang:

  • formele correctheid belangrijker blijft dan aantoonbare impact,

  • gesloten ecosystemen de norm blijven,

  • en echte digitale expertise structureel buiten de deur wordt gehouden,

zullen nieuwe Persona’s en i-Police-projecten blijven ontstaan — met andere namen, maar met dezelfde afloop.

Digitale transformatie vraagt geen nieuwe audits, maar een fundamenteel andere manier van denken.

Reacties